Marie Laurencin
Kunst & Cultuur

Ode aan de vrouw: Marie Laurencin

Ze werd bekend door haar feeërieke schilderingen van vrouwen, in dromerige pastelkleuren. Maar Marie Laurencin (1883-1956) liet zich niet in het hokje van kunstschilderes stoppen, want ze was zoveel meer dan dat. Dichteres, graveerster, illustratrice, decorontwerpster en – bovenal – een vrije geest.

Jill Waas

Net als de vrouw Marie Laurencin is ook haar werk niet in een hokje te plaatsen. Ze wordt gezien als een van de pioniers van zowel het kubisme als het dadaïsme, ze flirtte met het fauvisme, maar uiteindelijk ontsteeg de Franse kunstenares al deze kunststromingen. Niet voor niets kreeg haar stijl de omschrijving ‘nimfisme’, ook wel verwijzend naar de dromerige manier waarop ze vrouwen portretteerde in zachte pasteltinten. Laurencin had een voorkeur voor feeërieke dieren, bloemen en jonge vrouwen, die ze schilderde met bleke gelaten en grote, melancholische ogen, waardoor ze net nimfen leken.

Affaires

Marie Mélanie Laurencin werd op 31 oktober 1883 geboren in het tiende arrondissement van Parijs. Ze was het onwettige kind van Alfred Toulet, een vooraanstaande volksvertegenwoordiger van de Union Républicaine, en zijn tweeëntwintig jaar jongere minnares Pauline Mélanie Laurencin, een vrouw van simpele komaf die werkte als borduurster. Het gezin woonde niet in één huis. Pas op zijn sterfbed hoorde Marie dat Toulet, die regelmatig op bezoek kwam en veel voor hen betaalde, haar vader was. De onconventionele relatie van haar ouders heeft ongetwijfeld doorgewerkt op Marie, want gedurende haar hele leven had ze vele affaires met zowel mannen als vrouwen, ook tijdens haar huwelijk met de Duitse baron Otto von Wätjen. Dus net als met haar kunst wilde ze zich op het gebied van relaties nooit in een hokje laten plaatsen, daarvoor genoot ze te veel van het leven en de liefde.

Haar moeder, die amper kon rondkomen van haar borduurwerk, wilde dat Marie een gedegen opleiding ging volgen en als lerares zou gaan werken. Maar de vrije geest had daar helemaal geen zin in, ze verkoos de kunstopleiding Manufacture de Sèvres, waar ze opgeleid zou worden tot porseleinschilder. Marie volgde daarnaast ook graveeren schilderlessen en schreef in haar vrije tijd gedichten. Haar fantasie en creativiteit waren zo onuitputtelijk dat ze er al jong naar streefde om de verschillende disciplines in kunsten te overstijgen. Ze wilde het allemaal doen. Toch waren het haar schilderijen waarmee ze in eerste instantie het meeste succes had. Laurencin viel op bij kunsthandelaar Clovis Sagot en mocht in 1907 haar eerste tentoonstelling houden in zijn galerie. Daar sprong ze in het oog van de grote Pablo Picasso, die haar liet kennismaken met het werk uit zijn blauwe en roze periode. Op haar werken La femme-cheval (1918) en Femme peintre et son modèle (1920) is duidelijk te zien hoe Laurencin in de periode daarna door hem werd beïnvloed. Toch hield ze altijd haar eigen authentieke stijl waardoor ze als een van de weinige vrouwen in die tijd opviel in het mannenbolwerk van kunstenaars.

Montmartre

Via Pablo Picasso kwam Laurencin in aanraking met bekende avant-gardisten als André Salmon, André Derain, Kees van Dongen en Henri Rousseau, met wie ze graag rondhing in de cafés rond kunstenaarsplaats Montmartre. Samen met overwegend mannelijke collega’s mocht Laurencin in 1907 voor het eerst deelnemen aan de prestigieuze kunstbeurs Salon des Indépendants in Parijs. Ook was ze destijds een van de weinige vrouwen die werd gevraagd voor de moderne kunstbeurs The Armory Show in New York.

Ze genoot te veel van het leven en de liefde om zich in een hokje te laten plaatsen

Picasso stelde haar ook voor aan Guillaume Apollinaire, met wie ze een stormachtige relatie kreeg die jarenlang voortduurde. De schrijver en dichter, die haar zijn hele leven als belangrijkste muze bleef beschouwen, stimuleerde Laurencin om meer met haar schrijftalent te doen. Ze begon onder een pseudoniem gedichten te schrijven en later werd vermoed dat sommige gedichten van Louise Lalanne, een pseudoniem van Apollinaire, eigenlijk van haar hand waren. Haar verhouding met Apollinaire liep op z’n einde toen ze de Duitse dichter en baron Otto von Wätjen ontmoette, met wie ze tot ieders verbazing in 1914 in het huwelijksbootje stapte. Misschien had het ermee te maken dat deze verbintenis van haar een barones maakte en haar toegang verschafte tot de hoogste society-kringen van Duitsland, waar ze goed geld kon verdienen als portretschilder.

Lang konden zij en haar baron niet genieten van hun luxe bestaan, want nog tijdens de wittebroodsweken brak de Eerste Wereldoorlog uit. Pacifist Von Wätjen weigerde zijn land te dienen met als gevolg dat het stel moest vluchten naar Spanje. Terwijl Laurencin daar floreerde in de gegoede kringen van Madrid, raakte Otto aan de drank, bedroog haar en er gingen zelfs verhalen rond dat hij gewelddadig was. De kunstenares zocht steun bij Apollinaire, met wie ze altijd was blijven corresponderen, en hun band bleef hecht tot aan zijn dood in 1918. Hij stierf onder het schilderij dat zij in 1911 voor hem maakte van hem en zijn vrienden en dat boven zijn bed hing. Tot aan zijn dood bleef Marie de grote muze van Apollinaire.

Openlijke biseksualiteit was ongebruikelijk, maar Marie maakte er geen geheim van dat ze ook op vrouwen viel

Vrije liefde

Ongelukkig in haar huwelijk scheidde ze uiteindelijk in 1921 van Von Wätjen, vastbesloten om nooit meer opnieuw te trouwen. Daar hield ze zich aan, maar ze genoot wel van de vrije liefde, zowel met mannen als met vrouwen. Hoewel het in die tijd niet gebruikelijk was om openlijk biseksueel te zijn, heeft Marie Laurencin er nooit een geheim van gemaakt dat ze ook op vrouwen viel. Sterker nog, op veel van haar schilderijen zijn verwijzingen te zien naar de vrouwenliefde. Zo schetst ze op La Visite (1916) een balkonscène à la Romeo en Julia, waarbij geen prins, maar een prinses op het witte paard zit. Ook haar schilderij Femmes dans la forêt (1920) laat een groep vrouwen in het bos zien die in volledige harmonie leven met de natuur en met elkaar. De symbiotische manier waarop ze de vrouwen op haar schilderijen neerzette, vaak dansend, naakt of in intieme houdingen, zou verwijzen naar haar voorliefde voor het vrouwelijke geslacht. Andere voorbeelden hiervan zijn Danseuses espagnoles (1920-1921) en Le Baiser (1927). Maar aangezien mannelijke kunstenaars vrouwen ook halfnaakt en lief kozend met elkaar portretteerden, keek niemand er in die tijd van op. Feit is wel dat haar werken net dat stapje verder gingen. Wie goed kijkt, ziet dat elk schilderij eigenlijk een liefdesverklaring is, een ode aan de vrouw.

De kunstenares keerde na de scheiding terug naar haar geliefde Parijs en haar carrière floreerde meer dan ooit. Haar stijl met dromerige pasteltinten sloot naadloos aan bij de smaak van de high society in de roaring twenties, en Marie Laurencin had in dat decennium meerdere solo-exposities. Ze ging ook samenwerken met de fameuze kunst- handelaar Paul Rosenberg, die ervoor zorgde dat haar werken de hele wereld over gingen.

Coco Chanel

Via society dame en pianiste Misia Sert kwam Laurencin in contact met Coco Chanel die haar vroeg een portret te schilderen (dat tegenwoordig te bezichtigen is in Musée de l’Orangerie in Parijs). De modeontwerpster was echter helemaal niet blij met Portrait de Mademoiselle Chanel (1923) – ze vond zichzelf veel te bleek en melancholisch geportretteerd – en wilde het niet kopen. Laurencin was woest en weigerde Coco Chanel opnieuw te schilderen. Ze had inmiddels zo’n goede naam als ‘schilderes van de society’ dat ze zich deze luxe kon permitteren.

Haar stijl met dromerige pasteltinten sloot naadloos aan bij de smaak van de high society in de roaring twenties

Misia Sert koppelde Marie ook aan Sergei Diaghilev van het beroemde Russische balletgezelschap Ballets Russes. Hij vroeg haar de kostuums en decors te ontwerpen voor zijn nieuwste ballet Les Biches. Het gaf Marie Laurencin opnieuw de kans om buiten het hokje van kunstschilderes te treden en nieuwe talenten van zichzelf te exploreren. De samenwerking was zeer lucratief voor haar, want daarna stroomden de opdrachten voor decor- en kostuum- ontwerp, affiches en boekillustraties binnen.

Groupe d’artistes, 1908
Groupe d’artistes, 1908

Met haar decadente, maar elegante stijl toonde ze een lef dat maar weinig vrouwelijke kunstenaars in die tijd hadden. Kritiek was er echter ook, zo kreeg Laurencin meer dan eens het verwijt dat haar schilderijen te lieflijk en zoet waren en dat ze zich beperkte door voornamelijk vrouwelijk schoon vast te leggen. Zelf had ze daar haar antwoord op klaar: ‘Waarom zou ik dode vissen, uien en bierglazen schilderen, jonge vrouwen zijn zoveel mooier.’

Rode Roos

Tot aan haar dood in 1956 – ze stierf op 72-jarige leeftijd aan een hartaanval – bleef Laurencin nieuwe disciplines van de kunsten ontdekken. Zo ontwierp ze in 1945 de cover van de modebijlage van de Franse krant Le Figaro en illustreerde in 1948 het wijnetiket van de Château Mouton Rothschild. Ze had voor haar dood laten vastleggen dat ze begraven wilde worden tussen de andere kunstenaars en artiesten op kerkhof Père-Lachaise, de fameuze begraafplaats van Parijs. Laurencin koos ervoor om in een witte jurk haar kist in te gaan, met een rode roos in haar hand en de liefdesbrieven van Guillaume Apollinaire op haar borst. Haar graf ligt op een steenworp afstand van dat van de dichter, die ze altijd als haar grote liefde is blijven beschouwen.

Na haar dood raakte het werk van Laurencin binnen Europa aanvankelijk in de vergetelheid. Alleen in Japan werd ze nog op handen gedragen, daar opende in 1983, het jaar dat ze honderd zou zijn geworden, Musée Marie Laurencin. Een door Bertrand Meyer-Stabley geschreven biografie in 2011 zorgde voor hernieuwde belangstelling voor de Franse kunstenares. In 2013 kon het grote publiek eindelijk kennismaken met haar werk dankzij een grote overzichtstentoonstelling in Parijs. Anno nu zijn haar schilderijen onder meer te bewonderen in het Kröller-Müller Museum in Otterlo, Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, Musée de l’Orangerie in Parijs, The Museum of Modern Art in New York, de Tate Gallery in London en het Hermitage Museum in Sint- Petersburg. Juist in deze donkere tijden, waarin er zoveel gaande is in de wereld, is de lichtheid en dromerigheid waarmee Marie Laurencin schilderde een welkome vorm van escapisme.