In 2021 startte het Rijksmuseum het onderzoeksprogramma Vrouwen van het Rijksmuseum. Het doel? Het zichtbaar maken van het vrouwelijk aandeel in de Nederlandse cultuurgeschiedenis. In Elegance lichten we iedere editie één bijzonder verhaal uit.
Insecten
Insecten. Ze zitten verstopt tussen de bloembladeren en kruipen over de tafelrand. Rachel Ruysch (1664-1750) stelde in haar bloemstillevens niet alleen grote expressieve boeketten samen, maar besteedde ook aandacht aan de allerkleinste wezentjes. De toevoeging van de insecten zorgde ervoor dat de voorstelling nog levensechter en expressiever werd, en het daagde zowel de kunstenaar als de toeschouwers uit om de insecten tot in detail te gaan bekijken. Dat vrouwelijke kunstenaars zich in de late zeventiende en vroege achttiende eeuw bezighielden met het bestuderen en verbeelden van insecten is niet verrassend. Insecten waren voor hen toegankelijk: via botanische tuinen, particuliere collecties en de handelsnetwerken waarin vrouwen actief deelnamen, konden zij materiaal uit binnen- en buitenland bestuderen.
Bovendien vormden insecten een sociaal aanvaard en praktisch alternatief voor onderwerpen die vrouwelijke kunstenaars niet of nauwelijks beoefenden, zoals naakten of historiestukken. Het hardnekkige idee dat het verbeelden van bloemen, planten en insecten een ‘vrouwelijk’ onderwerp was, doet vergeten hoe technisch veeleisend dit werk in werkelijkheid was, en dat ook mannen hierin werkzaam waren. Het nauwkeurig schilderen van insecten vroeg om scherpe observaties, kennis van de natuur en bovenal beheersing van technieken en objecten zoals waterverf en microscopen.
Ananas
Pompelmoes
Granaatappel
Vlinders
Het verhaal
Maria Sibylla Merian (1647-1717) was hierin zeer bedreven. Tussen 1699 en 1701 reisde zij, samen met haar dochter Dorothea Maria Graff (1678-1743), naar Suriname om insecten in hun natuurlijke leefomgeving te observeren. In haar Metamorphosis Insectorum Surinamensium (1705) beschreef en verbeeldde ze in 60 prenten de metamorfose van rups naar pop en vlinder. Merian werkte vanuit een ecologische én esthetische benadering: ze plaatste de insecten consequent op bloeiende planten die passen bij hun voedingspatroon en leefgebied. Zo ontstonden er voorstellingen die zowel visueel aantrekkelijk als wetenschappelijk nauwkeurig waren. Merian erkende bovendien ook de onmisbare hulp van inheemse en tot slaaf gemaakte vrouwen, en beschreef openlijk over hun onderdrukking in de Nederlandse kolonie.Merian en haar dochter waren niet de enigen die in deze periode Surinaamse insecten afbeeldden. Cornelia de Rijck (1653-1726), een tijdgenoot en mogelijke kennis van Merian, vervaardigde ruim 116 waterverftekeningen van Surinaamse insecten voor een album voor haar tweede man, verzamelaar Simon Schijnvoet (1652-1727).
De insecten zijn ontzettend levensecht afgebeeld; ze lijken bijna van het papier af te kruipen. In tegenstelling tot Merian bestudeerde De Rijck de insecten niet in Suriname, maar waarschijnlijk vanuit Amsterdam, in het insectenkabinet van Schijnvoet. Ze maakte namelijk ook een overzicht van wat vermoedelijk een lade uit zijn insectenkabinet moet zijn geweest; een zeldzaam inkijkje in hoe zulke collecties er in de praktijk uitzagen.De tekeningen van De Rijck tonen hoe nauw artistieke vaardigheid en natuurwetenschappelijke kennis met elkaar verweven waren. Met grote beheersing van de waterverftechniek wist De Rijck de uiterlijke kenmerken vast te leggen waaraan de vlinders en andere insecten te herkennen zijn. Waar Merian haar aanpak gebruikte om de levenscycli en leefomgevingen te tonen, concentreerde De Rijck zich op het insect zelf, zonder uitgebreide voorstelling eromheen, met als uiteindelijk doeleinde bij te dragen aan het categoriseren van de natuur. Samen laten ze zien hoe vroegmoderne vrouwen niet aan de zijlijn van de natuurwetenschap stonden, maar de kennis over de natuur actief vormgaven. Soms vanuit de tropen, soms vanuit een rariteitenkabinet in Amsterdam.